name head

30 oktober 2019 | Door Catherine Keyl | back

Gelijk

Soms vragen mannelijke vrienden mij of ik langzamerhand niet uit geschreven ben over de ongelijkheid tussen man en vrouw. ‘We zijn toch wel gelijk genoeg, nu,’ zeggen ze dan. Het is ze moeilijk uit te leggen, omdat ze man zijn. Ze zullen nooit precies de vernederingen in kunnen voelen die je nog steeds meemaakt als vrouw. Ik ging te rade bij vriendinnen om voorbeelden. Het komt er eigenlijk op neer: zodra je iets zelfstandigs, niet zo veel voorkomends, niet traditioneels doet, komen de oude vooroordelen naar boven.

Een vriendin van mij heeft als hobby verwaarloosde huisjes opknappen. Laatst vond ze een totaal uitgewoond pand voor een redelijke prijs, dus ze zei tegen de makelaar die haar begeleidde: ’Ik koop het.’ Toen zei de makelaar: ’Maar kunt u dat wel zo helemaal alleen beslissen?’ Het raakte haar diep. Aan welke man zou hij zoiets vragen? In dit soort voorbeelden zie je dat er nog steeds verschil is.
Een andere vriendin heeft een baan waarbij ze veel moet reizen. Dus ze heeft een dikke, veilige, Mercedes gekocht. Op een gegeven moment is ze ziek en ze belt de dokter, die aan huis komt.
‘Waar is uw man?’ vraagt de dokter als hij binnenkomt. Mijn vriendin zegt dat hij naar z’n werk is. ’Maar zijn auto staat voor de deur’, zegt de dokter.
‘Nee,’ zegt mijn vriendin,’ dat is mijn auto.’
De dokter is in shock.
’Maar mevrouw, zo’n grote auto, waarom is dat nodig?’
Je kunt je niet voorstellen dat de dokter dat tegen een man zegt, wees eerlijk.

En het beste voorbeeld is wat mij zelf twee weken geleden overkwam.
Ik zit bij een lezing over aandelen. Mijn hele leven heb ik al iets met de aandelenmarkt sinds ik op m’n twaalfde van mijn vader een aandeel kreeg. Ik vind het leuk om de schommelingen in de koersen te bekijken en voor mezelf te bedenken waarom. Naast me zit een wat oudere heer. De lezing is erg onderhoudend, de deskundige heeft een heel andere visie dan ik dacht. Juist als het op z’n interessantst wordt, buigt de man naast mij zich naar mij over en zegt: ’Jij snapt hier natuurlijk ook niks van, he, maar er is ook geen touw aan vast te knopen, hoor!’

Grrr. Nu word ik heen en weer geslingerd tussen een aantal zaken. Blijkbaar ziet deze man mij als een dom blondje, maar hij bedoelt het nog vriendelijk ook. We zitten in een publiek, dus ik kan niet schreeuwen: ’Ach eikel, dat jij het niet snapt wil nog niet zeggen dat ik dat niet doe.’ Maar dat zou ik fluisterend moeten doen, en dan maakt het geen indruk. Ik baal van mezelf, maar ik haal dus maar weer die eeuwige vrouwelijke glimlach van stal.

Reageren?

 

 

cc

column